De stad van glas

zondag 20 september 2026 · Bij Vincent

Als Bingverd de controlekamer binnenrent, geeft een van de schermen aan dat er nog maar 32 minuten te gaan zijn voor het eiland in de diepte stort. Op een ander scherm ziet hij de merrenoloth aankomen bij de schatkamer waar Thardis, Tijl en Bor hun zakken aan het vullen zijn. "Als hij op de derde steen wil stappen, laat ze dan zakken," giechelt hij.

De merrenoloth is even verdwaasd als de stenen zakken, maar spreekt snel een spreuk uit die een harde wind doet opsteken die hem naar het eiland met de schatkamer blaast. Hij staat voor de deuropening en eist het loon dat de Botduivel hem nog schuldig was: 5000 goudstukken. Bor geeft de pontbaas edelstenen en munten ter waarde van 10000 goudstukken en de merrenoloth gromt dat de groep wel met hem meekan. Terwijl de klok doortikt vult de groep het magische harnas uit de schatkamer met spullen en rijden ze dat, samen met energiecellen, in kruiwagens naar de pont. Bingverd was met een kruiwagen al wat krachtpieken aan het verzamelen en die gaan ook mee. Als ze de oversteek maken, stort het Klooster van het Gekwelde Lichaam achter hen in de diepte. Aan de overzijde, in de Fornuisbergen, verdwijnt de pontbaas. Het pontje blijft achter en wordt door de groep meegenomen als zwevende muilezel.

Het technisch dagboek van Kwalius toont de weg naar Kerkek Loidn, de stad van glas. Na een aantal dagen bereikt de groep deze stad, die uit een reeks veelal ingestorte torens blijkt te bestaan. De torens staan in een enorm bad van gelei, waarbinnen geen leven te bekennen is -- dierlijk noch plantaardig. Wel staan verspreid door de stad, in de gelei, wezens van glas. Dwergen, elven, mensen, veel orcs en enkele kenku.

Bingverd besluit neer te dalen aan een touw en de gelei te verkennen. Als hij die aanraakt, ontstaat er echter een vuist van gelei, die hem voor het gezicht slaat en zuur inbrandt. Kort daarna verschijnt er een tentakel in het luchtledige, die Bingverd een flink pak rammel geeft. De groep trekt Bingverd omhoog en besluit na een korte rust met de pont naar een van de grootste torens te vliegen.

Ze treffen daar de overblijfselen van een werkplaats en alchemisch laboratorium en een trap die naar beneden leidt. Opnieuw vallen de tentakels aan: dit keer meerdere. Tijl weet ze met het apparaat dat hij van Crucillus stal een lesje te leren en na een hevig gevecht vol vuurzwaarden en zuurzwepen zijn de tentakels verdwenen. Beneden blijken ze aangestuurd te zijn vanuit een vreemde metalen contraptie, waaruit een stem herhaaldelijk smeekt om bevrijd te worden.

Tijl schroeft de constructie zonder problemen open met een Labareaanse schroevendraaier. Daarbinnen bevindt zich een open doodskist met een halfverteerde kenu erin, die via haar brein verbonden is aan een constructie met antennes in de grotere behuizing. De kenku kermt fragmenten die ze duidelijk nabootst uit de levens van anderen. Ze verwijst naar een medusa, en naar wezens die tot haar veroordeeld worden. Bingverd probeert haar los te maken, maar wordt onmiddelijk aangevallen als hij dit probeert. De groep besluit om de kenku uit de kist te trekken en door een deuropening in de gelei te schuiven, om die beter te onderzoeken. Het zuur vreet meteen het laatste vlees van de botten van de kenku.

Naast de behuizing waaruit tentakels kwamen staat een andere constructie: een krabachtig vehikel dat Bor al in het technisch dagboek van Kwalius was tegengekomen. Uit de onbegrijpelijke tekeningen daar had hij opgemaakt dat deze machine iets kan bewerkstelligen door een naald in een bolvormig voorwerp te steken.

De groep vertrekt uit deze toren en reist door naar een andere grote toren, die eerder door Ria de valk is verkend en afgedekt wordt met een (deels gebroken) glazen koepel, waarachter glazen beelden staan. Daar aangekomen merken ze dat ze niet goed kunnen zien wat er onderin te zien is. Ze sturen Fred de fret en route om de toren van binnen te verkennen. Als Fred niet terugkomt, maken ze ruimte om met hun zwevende pont naar binnen te gaan.

Al afdalend zien ze wandschilderingen waarop een verhaal is afgebeeld. Een medusa wordt door kenku gevangen en meegevoerd. Ze verandert anderen in glas en wordt hiervoor aanbeden. Onder leiding van een priester vangen de kenku wezens -- dwergen, mensen, orcs -- en leiden ze voor aan de medusa die glazen beelden van ze maakt. Dan zien ze ook boeien die bevestigd zijn aan de muren van de toren, een pilaar met daarop een groot raam, puinhopen van glas en andere rommel en een centrale paal waarbij losgetrokken ketens liggen.

Als ze de toren verder verkennen, vinden ze Fred. Veranderd in een glazen beeldje. Dan treffen ze de medusa aan en Tijl, kwaad over het verlies van zijn geliefde dier, schiet een fire bolt op haar af. Er begint een kort gevecht, waarbij de helden hun gezicht afwenden van de medusa om te vermijden dat ze in glas worden veranderd. De medusa krijgt van alle kanten klappen en wordt uiteindelijk door Bors spervuur van pijlen aan gort geschoten. De boself verwijdert haar hoofd met ogen, want "je weet nooit wanneer je het nodig hebt".

De medusa droeg een verzameling juwelen, die natuurlijk meegenomen worden door de grijpgrage helden.